Dat gepensioneerde managers vaak fris van geest zijn, is geen valse schijn. Wetenschappelijk is zopas vastgesteld dat leiding geven meetbare veranderingen teweegbrengt in het menselijk brein. Mensen die leiding geven blijken beter te kunnen leren en onthouden beter.
De hippocampus is het deel van de hersenen dat het geheugen en de capaciteit om te leren aanstuurt. Een medisch team van de University of New South Wales stelde vast dat de hippocampus beduidend groter is bij 80-jarigen die in hun carrière jarenlang verantwoordelijkheid hebben gedragen. Hoe meer ondergeschikten iemand had, hoe duidelijker het effect. Die grote hippocampus brengt mee dat men alerter van geest blijft en minder gauw zal gaan lijden aan ouderdomsdementie.
De verklaring is volgens Valenzuela vrijwel zeker dat leidinggevenden de hele tijd bezig zijn met het oplossen van problemen, met hun geheugen aan te spreken, met zich in te leven in de situaties waarmee hun ondergeschikten geconfronteerd worden. Sport voor het brein, dus.
Hieronder staat tevens een filmpje die uitlegt hoe het brein werkt wanneer het ouder wordt en hoe we ons kunnen wapenen tegen de vermindering van onze cognitieve functies.
Er is een nieuwe werknemer opgestaan: werknemer 2.0. Gewend aan virtueel werken en kennis delen via nieuwe media. Oudere werknemers, managers en ook bedrijven blijven vooralsnog achter. Hoe groot is de nieuwe digitale kloof? En wat doen bedrijven om deze te dichten?
2. Niet de techniek maar de mens verandert
Nu is een generatiekloof van alle tijden. Ook op het werk. De jonge garde zet zich af tegen de oude. En de oude garde temt op zijn beurt de jonge. De jongeren zijn ambitieus en flexibel; de ouderen schermen met wijsheid en ervaring. De opkomst van ICT binnen bedrijven zorgde jaren geleden voor een extra afstand tussen jong en oud. Ouderen die op toetsenborden moesten tikken, dat ging niet altijd van harte. Maar die digitale achterstand lijkt langzamerhand gedicht. De meeste oudere werknemers kunnen inmiddels prima met ICT-systemen overweg. Ze moeten wel, er is geen ontsnappen aan in het digitale tijdperk. Maar er is inmiddels een nieuwe digitale kloof aan het ontstaan, waarschuwen deskundigen.
De nieuwe kloof echter gaat niet zozeer over ICT-systemen binnen organisaties. Nee, de kloof heeft te maken met de manier waarop jonge werknemers tegenwoordig leven en werken. Een levens- en werkstijl waarbij virtueel samenwerken, communiceren, netwerken en kennis delen mogelijk is, en die mogelijk is gemaakt door internet en Web 2.0 (social computing). Instant messaging (msn), e-mailen, googelen, wiki’s, weblogs, webfora, rss-feeds, virtuele netwerken (zoals LinkedIn), games, sms, mobiele e-mail, downloaden, skypen, online winkelen – het is voor de nieuwe generatie werkenden een tweede natuur. (Zie ook ‘Marketing voor jongeren is het spel meespelen’.) Langzaam dringt het nu ook door tot de werkvloer. Werknemer 2.0 is geboren. De vraag is: zijn bedrijven wel klaar voor de nieuwe generatie werknemers en de nieuwe digitale tijdgeest? 3. Vaardigheden geen probleem
Voor we de nieuwe digitale kloof overzien, eerst een blik op de ‘oude’ digitale tweedeling en wat daar nog van over is. ‘Die scheiding ging niet alleen over jong en oud. Het ging ook over bijvoorbeeld hoog- en laagopgeleid’, zegt Jos de Haan, hoofd van de onderzoeksgroep Tijd, Media en Cultuur bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en bijzonder hoogleraar ICT, Cultuur en Kennissamenleving aan de Erasmus Universiteit. Hoogopgeleiden zijn volgens hem vertrouwder met ICT dan laagopgeleide werknemers. Ze hebben vaker de beschikking over een computer met internet, zowel thuis als op hun werkplek.
Volgens De Haan is de ‘oude’ digitale tweedeling nauwelijks meer waarneembaar op het werk. ‘Het probleem heeft zichzelf voor een deel opgelost. Voor veel 55-plussers was de introductie van ICT-systemen aanleiding om vervroegd uit te treden.’ En de achterblijvende oudere werknemers moesten volgens hem gewoon mee op de digitaliseringsgolf.
Digitale tweedeling tussen jong en oud? Niet in de zin van een gebrek aan kennis of digitale vaardigheden. Ook Ben Slijkhuis, directeur van het Nederlands Platform Ouderen en Europa (NPOE), spreekt van een gedateerd vraagstuk. ‘In Nederland kun je eigenlijk niet spreken van een digitale kloof. In Europa staan we samen met Scandinavië op eenzame hoogte als het gaat om het aantal digitale aansluitingen.’ Op het werk zie je een zelfde beeld, zegt hij. ‘Een digitale tweedeling zie ik nog wel bij ouderen die niet meer aan het arbeidsproces deelnemen: werklozen en gepensioneerden. Bij oudere werkenden speelt het echter nauwelijks meer. En als die digitale tweedeling er al zou zijn, dan is hij in ieder geval snel aan het verdwijnen.’
Cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Rapportage Ouderen 2006) lijken hem gelijk te geven. De ’surfende senioren’ komen eraan. In 2003 was al driekwart van 55-64-jarigen in het bezit van een pc, in de meeste gevallen met internetverbinding. Vijf jaar eerder was dat nog maar 40 procent. Bij de hogere leeftijdsgroepen is pc-bezit minder verspreid: van de 65-74-jarigen had in 2003 42 procent een pc, van de 75-plussers slechts 19 procent.
De resterende digitale achterstand kun je met scholing wegwerken, meent Slijkhuis. Maar volgens hem werken de werkgevers daar niet aan mee. ‘De noodzaak daarvan wordt vaak niet onderkend. Voor een deel omdat bedrijven niet zien waar de tekorten in zitten, en voor een deel – en dat is specifiek voor Nederland – omdat men gewoon niet investeert in oudere werknemers. Het is geen kwestie van niet kunnen, maar veel meer een kwestie van er niet aan gewend zijn.
Senioren zijn dus uitgetreden, naar een andere functie getransporteerd, of hebben zich de digitale mores gewoon eigen gemaakt. Resultaat: op het werk is er geen digitale tweedeling.
Hooguit verlangen ouderen nog terug naar Windows NT, omdat bij NT de computer beter ‘luistert naar de baas’, die toch al die geavanceerde opties niet gebruikt.
Dit debat tussen Generatie-Y en de Baby Boomers laat perfect het conflict tussen de generaties zien. Wat het meest opvallend is aan dit gesprek is dat de oudere heer zonder nuance een verval van werknormen aanschouwt met betrekking tot de nieuwe generatie. Zo zou Generatie-Y zichzelf speciaal vinden en onwillig zijn om nog hard te werken voor hun promoties.
Niets is echter minder waar. Iedere generatie heeft zijn luie mensen ertussen zitten en Generatie-Y is daar geen uitzondering in. Maar het feit dat Generatie-Y op een efficiënte manier gebruik maakt van technologie om zo snel mogelijk een oplossing te vinden is geen teken van luiheid, maar eerder van inventiviteit. Nu zal er niet geclaimd worden dat de nieuwe generatie inventiever is dan de oudere generatie, maar we kunnen niet ontkennen dat de digitale techniek ertoe heeft geleid dat veel deelfuncties geautomatiseerd. Het is juist dankzij deze ontwikkeling dat de werknemers minder tijd kwijt zijn aan repetitieve taken en meer tijd kunnen spenderen aan het oplossen van complexere oplossingen.